Home 1 2 3 4 5
winkelstories * * * * * auteur & copyright: els van wageningen email elsvanwageningen@planet.nl * * * * * webdesign: wynneconsult email wijnne_hj@planet.nl
hoofdartikel (2)

Apotheek enig overgebleven Amsterdamse winkel uit 17de eeuw

De apotheek op de hoek van de Geldersekade en de Stormsteeg is de enig overgebleven zeventiende eeuwse winkel in Amsterdam. In 1696 begon de eerste apotheker Harmanus Meurs in hier zijn apothekerswinkel. In de loop van de 18de eeuw werd hij opgevolgd door Gerrit Everwijn en zijn zoon Evert Everwijn. Kruiden vormden eeuwen lang een belangrijk bestanddeel van geneesmiddelen. Alle apothekers hadden in die tijd in hun winkel een kabinet of simpliciakast, waarin alles wat de natuur voortbracht werd opgeborgen. Na de ontdekking van andere werelddelen werd hun geneesmiddelen - assortiment belangrijk uitgebreid. Allerlei tot dan toe in Europa onbekende producten werden ingevoerd zoals koffie, thee, cacao, tabak, perubalsem, ipecacuanha-wortel, etc.

Harmanus Meurs de eerste apotheker

Veel zijn we niet te weten gekomen over die eerste apotheker, die nooit heeft kunnen bevroeden dat de door hem in 1696 geopende apothekerswinkel er nu na 320 jaar (in 2016) nog zo florissant bij zou staan. Harmanus Meurs, in 1657 geboren in Amsterdam, was al gevestigd apotheker op de Zeedijk, toen hij op 5 juni 1696 voor 6000 gulden contant het huis kocht op de hoek van de Geldersekade en de Stormsteeg. Het huis werd tot die tijd bewoond door chirurgijn Gabriël Diederixs uit Danzig. Dat Meurs daar ook werkelijk een apotheek begon blijkt uit een aantekening in het Apothekersknegtboek:, dat Martines Haesbaert op 1 juli 1696 als leerling staat ingeschreven bij Harmanus Meurs. Meurs trouwde in 1685 met Clara de Voys, dochter van een ‘vleeschhouwer’ op de Herengracht. Hij overleed in 1719 en werd begraven in de Nieuwe Kerk.

Apothekers Gerrit en Evert Everwijn

Gerhard Everwijn de opvolger van Harmanus Meurs werd in 1696 geboren in het Duitse Kleef. Zijn vader liet hem in 1714 voor vier jaar inschrijven als leerling bij Apotheek Angelkot op de hoek van Herengracht 496 en de Vijzelstraat (op de plek van het huidige Stadsarchief). Uit het Apothekersknegtboek in de archieven van het Collegium Medicum blijkt dat Gerhard Everwijn - of misschien zijn vader- het contract met Angelkot voortijdig heeft verbroken en dat hij vanaf 1 mei 1716 zijn leertijd voortzet in de apotheek van Harmanus Meurs op de Geldersekade. Mogelijk gaven de gebeurtenissen in die periode, rondom zijn leermeester Angelkot hiertoe aanleiding. Angelkot de Jonge, een apotheker met toneelambities, had namelijk in die tijd een amoureuze relatie met een getrouwde vrouw, wat in het Amsterdamse literaire kringetje van die dagen aanleiding gaf tot roddel en achterklap. Het leidde tot het schrijven van het blijspel D’ontmantelde Apotheker met de Gefopte Hoorndrager, waarin Angelkot onder de weinig vleiende naam Rotkeel Geenkuyt door de anonieme schrijver behoorlijk belachelijk wordt gemaakt. Gerrit Everwijn was de laatste leerling die bij Meurs in huis kwam wonen. Na Meurs’ overlijden in 1719 kon hij de apotheek overnemen. In 1760 werd hij opgevolgd door zijn zoon Evert Everwijn. Een andere zoon, Jan Willem, was ‘medicinae doctor’ en had zijn praktijk op Geldersekade 86, naast de apotheek van zijn broer. Gerrit Everwijn overleed in 1764.

Misstanden

Na de forse uitbreiding van de stad met de grachtengordels was het aantal gevestigde apothekers in de 17de eeuw tot ruim 300 opgelopen. Veel waren er te vinden op de Dam, het Damrak, de Nieuwendijk en in de Warmoesstraat. In de 18de eeuw waren het er al zo’n 400, wat in geen enkele verhouding stond tot het aantal inwoners. Op 24 februari 1747 dienden 24 Amsterdamse apothekers een request in, waarin ze hulp vragen aan het Stadsbestuur, ‘daar hunne zaken zoo achteruit gingen, dat velen geen kans meer zagen hun gezin te onderhouden en hunne verplichtingen na te komen. Nu reeds zijn apothekers tot armoede vervallen. Veel ongequalificeerde personen maken en verkoopen allerlei compositiën en scheepskisten.’ Ook hekelden zij de leveranties van medicijnen aan particulieren door ’t Gasthuis, waar alles minder kostte. Er werden strengere maatregelen genomen, zoals meer examengeld en verhoging van het aantal leerjaren van drie naar zes. De apothekers Gerrit en Evert Everwijn zaten er op de hoek van de Geldersekade en de Stormsteeg voorlopig nog warmpjes bij.

Werk van een apothekersknecht

Wat een apothekersknecht in de 18de eeuw zoal moest doen voor zijn leermeester: "Boodschappen doen, die haast vereisen. Intussen zindelijk werk verrichten. Zorgen voor signaturen, poederpapieren en het opredderen van de papierlade. Nazien wat ontbreekt in potten, flessen, laden en dozen. Nazien of er voldoende decoctums en infusivas gekookt zijn. Nazien of er genoeg schone flessen, potten, doosjes en kurken voorhanden zijn. Nazien of alles op zijn plaats geborgen is. Gereedschappen zindelijk en schoon houden. Iedere morgen flessen spoelen. Iedere morgen stoffen. Eens in de week de hele winkel schoonmaken. Fornuizen en destillatiën zindelijk houden. Aantekenen wat hij verkocht heeft en hoeveel ontvangen. Hij zal altoos de volgende vragen moeten kunnen beantwoorden: Is er geen verzuim. Zijn er klachten. Zijn er geen nieuwe klanten gekomen. Is men beleefd geweest. Zijn de mensen voldaan. Wie begunstigt de winkel met gewone klandisie het meest. Is er niets verkeerd bezorgd. Heeft de ene leerling over de andere te klagen." (Bron onbekend.)

Apothekersopleiding

In de tijd van Harmanus Meurs en de Everwijns moest de apothekersleerling minstens 16 jaar zijn voordat hij in dienst kon komen bij een meester-apotheker. Zijn ouders sloten voor hem een contract af voor drie jaar, waarna de leerling in het gezin van de apotheker werd opgenomen. Voor het onderricht en de examinering van de aanstaande apotheker was, naast de kennis van de verse kruiden uit de Hortus Botanicus, die van de gedroogde kruiden vereist. Bovendien moest hij voldoende kennis hebben van het Latijn, anders was het onmogelijk om de recepten van de doktoren te ontcijferen. Verder moest hij poorter zijn om in een gilde te worden opgenomen. Dan pas werd een leerbrief afgegeven. Vanaf 1828 kon de aanstaande apotheker in Amsterdam een 2-jarige opleiding volgen aan de Klinische School in het Binnengasthuis. In 1876 werd de opleiding tot apotheker een universitaire studie.

Zó ongeveer moet de apotheek van Harmanus Meurs er hebben uitgezien. Met nadruk op ongeveer, want zo ‘deftig’ als op dit schilderij zal het wel niet geweest zijn, in een havenbuurt waar ook in de tijd van Meurs al veel ‘hoerhuizen’ waren. Dit geschilderde interieur van een 17de eeuwse Nederlandse apotheek is van een onbekende schilder, uit de school van Gerard Terborgh. In de schappen achter de recepteertafel staan Delftse apothekerspotten afgedekt met geelkoperen deksels, stroopkannen en extractpotten. Voor de toonbank staan op consoles een bronzen vijzel en een grote mortier, belangrijke attributen bij de bereiding van grote voorraden geneesmiddelen.

Uit de tijd van Gerrit Everwijn dateert de oudst bewaarde rekening van de apotheek, waarop we ontcijferen dat Juffer Van Cornelisz. in de Jonkerstraat (tegenover de apotheek) aan Gerrit Everwijn verschuldigt is over de maand augustus 1728: ‘Een pot met versagtende Conserf 10 cent, een groot versagtend dranckie 16 cent, poeders voor de borst 18 cent en nogmaals hetzelfde conserf als boven 10 cent.’ Onderaan staat dat de rekening een jaar later is voldaan op 15 maart 1729.

Klik voor vergroting

Het moet in de 18de eeuw al heel rumoerig geweest zijn op de Geldersekade. De vele bedrijven die er waren zorgden voor druk vrachtvervoer over het water. Kruiwagens en vrachtsleden getrokken door paarden gingen knarsend en piepend over het hobbelige wegdek. Elke week kwam er een postboot aan uit Kleef en vertrokken er boten naar Hattem, Tiel, Venlo, Wezel en Keulen. Tapperijen, danshuizen en logementen lardeerden het geheel. Een heel schilderachtige buurt. Vooral de omgeving rond de Schreierstoren en de Waag waren geliefde onderwerpen voor schilders en tekenaars. Zoals bijgaande schets ‘naar het leven getekend’uit 1764 van Reinier Vinkeles (1741 - 1816) laat zien. ‘Geldersche Kaay, gezien vanaf de Ridderstraat in Noordelijke richting’. Op de voorgrond de oneven zijde van de Geldersekade. Aan de overkant de Stormsteeg met op de linker hoek, gedeeltelijk zichtbaar, het pand waarin op dat moment Evert Everwijn zijn apotheek had. Uit: Atlas Splitgerber.Stadsarchief Amsterdam

Klik voor vergroting

Aankomst van Tsaar Peter de Grote van Rusland in ons land. Op 1 september 1697 was hij aanwezig bij een spiegelgevecht dat ter ere van het grote Russische Gezantschap werd gehouden op het IJ in Amsterdam, vlak bij de Geldersekade. Een spektakel dat de hele dag duurde en duizenden belangstellenden trok, waaronder misschien wel apotheker Harmanus Meurs. Peter de Grote kocht in het Theatrum Anatomicum van Frederick Ruysch in de Waag op de Nieuwmarkt een collectie menselijke en dierlijke preparaten, zoals een babyhoofdje op sterk water. Abraham Storck (1635 - 1710). Spiegelgevecht op het IJ ter ere van Tsaar Peter de Grote, 1697. Coll. Ver. Ned. Historisch Scheepvaart Museum, Amsterdam

Klik voor vergroting

In de periode dat de Everwijns apotheker waren op de Geldersekade opende Jacob Hooy in 1778 zijn Handel in Drogerijen op de Kloveniersburgwal 12. Deze winkel met het authentieke interieur is hier na ruim 235 jaar ook nog steeds te vinden. De winkel geeft een goed beeld van de oude ‘kruidenier’ de groothandelaar in kruiden, de leverancier van de apotheker.

Hoerenbuurt

Waar een haven is, is vaak ook een hoerenbuurt. Amsterdam werd al in de 17de en 18de eeuw overstroomt door kooplieden, zeelui en avonturiers. Rondom waren veel musico’s en speelhuizen te vinden. Een musico was een herberg waar gemusiceerd werd en gedanst en waar ook een bordeel bij was. De wat louchere speelhuizen waren te vinden op de Zeedijk en de Geldersekade, ‘waar het gekras van derderangs muzikanten de begeleiding vormden van prostitutie en andere losbandigheid’. Alleen al op dat kleine stukje Geldersekade tussen Waag en Schreierstoren, waren er in die tijd wel twaalf van die speelhuizen.

Klik voor vergroting

De pillenvergulder van de apothekers Meijer. Een pillenvergulder bestaat uit twee halve bollen van hout of hoorn. De apotheker liet hierin de pillen ronddraaien samen met bladgoud of bladzilver, net zolang tot ze gelijkmatig bedekt waren. De Arabieren waren de eersten die pillen gingen vergulden en verzilveren, want zij meenden dat er van goud en zilver kracht zou uitgaan, die de genezing zou kunnen bevorderen. Avicenna (980-1037) een Perzisch geneesheer raadde het aan om de genezende werking van het medicament te vergroten met de bijzondere kracht die van goud zou uitgaan. Het omhullen met goud of zilver diende later om een bittere smaak te camoufleren. Dat gold trouwens alleen voor deftige en rijke patiënten.Tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw werden hier en daar nog pillen verguld. In 1933 was het honorarium voor 10 pillen: 30 cent + 4 cent voor de verpakking + 10 cent extra voor het vergulden.

sluiten

sluiten

sluiten

sluiten

sluiten

sluiten

sluiten

sluiten

sluiten